Rusthuis (+ 500 woorden)

In het rusthuis zitten levende monumenten te kaarten. Het leven heeft weinig troeven in petto als je zo oud bent geworden. De mensen die er zitten zijn passagiers; op weg naar de hemelse velden. Soms ben ik bang om ooit in zo’n triestig kot te belanden. Samen eenzaam tussen elkaar; weg liefde, weg verlangen.  Misschien ben je wel niet meer wetend; vertroebelt je geest en kom je weer in je kinderlijkheid. Ben je nog niet in de staat van kinderlijkheid dan zorgen de verzorgenden wel voor een aantal verkleinwoorden, een potje en een slabbetje. Ik mag er niet aan denken; dement onder dementen. Misschien wordt je geest wel zo opstandig dat je wil vluchten. Ook daar heeft het instituut aan gedacht. Vakkundig wordt je vastgemaakt aan je stoel. De deurcode is vergrendeld met het jaartal maar och god, je weet zelfs niet meer wat het jaartal is.

In het rusthuis weinig nieuws voor de dag. Animatie die weinig voorstelt: het verzorgen van parkieten, kijken naar een blijspel waar de acteurs hun tekst vergeten en de wekelijkse bingo,… Dan het eten; steeds weer op hetzelfde tijdstip zonder verassingen. Het menu staat immers steevast aangegeven op het bord. Een kamer; weinig om zelf in te richten; voorschriften. Nergens mag je boren. Niet dat je het zelf nog kan. Hooguit een plantje, een kastje en een huwelijksfoto. Vooral weinig  gerief meebrengen. Het is immers toch maar een gestouw en er is weinig plaats in zo’n kamertje… In gedachten wordt reeds gedacht aan een volgende bewoner. En waarom zou je je nog veel bezighouden? Het lijf wil toch niet meer mee. Trillende handen, slechte ogen, het gehoor zo aangetast dat zelfs een hoorapparaat geen soelaas meer kan bieden. Het personeel stimuleert vooral het rusten: het is tenslotte een rusthuis. Kan je niet inslapen op het vastgelegde moment dan krijg je wel een pilletje. Op zo’n leeftijd moet je toch niet meer kijken naar een pilletje meer of minder. Zelfs tv-kijken wordt op een moment een geseling.

Misschien is er nog het verplichte taartje met je verjaardag. Als je honderd bent geworden hooguit een woordje van de directeur en de burgemeester die zegt dat je er toch nog zo goed uitziet. Hoewel, als ik oud geworden ben de burgemeester hier misschien geen tijd meer voor zal hebben. Eeuwlingen schieten dan misschien als paddestoelen uit de grond. Hooguit is er nog een vermelding in het gemeentekrantje.  Oh ja, dan is er ook nog de kiné. Een half uur aan de strekstok voor een week als de botten het al kunnen verdragen. Als er te weinig groeimarge is, wordt ook dat weggelaten. Uitkijken naar de dokter. Het geveins van pijnen zodat je nog wat langer met meneer dokteur kan praten. Een dokter die echter op tijd staat en weinig kan luisteren. Het geklaag dan maar wegmoffelen onder de vergevordere leeftijd. Misschien zal meneer dokteur wel worden vervangen door een plaatje die het bloed automatisch analyseert met een bloeddruppel. In dat geval; weg praatje.

Ik denk dat ik het liefste niet stokoud word hoewel ik dat natuurlijk niet met zekerheid kan zeggen. Misschien is de berusting, het niet meer moeten bewijzen wel één of andere deugd. Als het dan kan; vooral niet oud worden in een rusthuis. Ik weet alvast één ding zeker; tandenloos kan je nog moeilijk in het leven bijten.

Advertenties

Een gedachte over “Rusthuis (+ 500 woorden)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s